Wat is toch worteling? Een zoektocht naar een ongrijpbaar begrip van de tijd

in_de_versnelling_ebook_w220_h220In de versnelling. 18 jonge wetenschappers over tijd (Marli Huijer red.) tekst in e-book
Dat we inmiddels moeten vaststellen dat de controle van het Nederlands grondgebied niet waterdicht is, zal weinig opzien baren. Vreemder is het dat vreemdelingen die geheel tegen de wens van de overheid hier te lande verblijven, na verloop van tijd door diezelfde overheid een verblijfsrecht kunnen verkrijgen. Wat doet toch de tijd met deze langdurig verblijvende vreemdelingen?


Denken is verschillen vergeten
J.L. Borges

De roep om een strikter migratiebeleid én om ruimhartiger pardonregelingen wisselen elkaar in Nederland af met de regelmaat van het getij. Na elke forse aanscherping van het migratiebeleid volgt steevast publieke verontwaardiging over de effecten daarvan in individuele gevallen. Wie herinnert zich niet Gümüş, Mauro en Sahar? Menigeen zal zich de tumultueuze publieke discussies over het lot van deze vreemdelingen nog levendig voor de geest kunnen halen. Gümüş, de sympathieke kleermaker uit de Amsterdamse Pijp, die eind jaren negentig ondanks stevige protesten werd uitgezet naar Turkije. Sahar, de op dat moment veertienjarige gymnasiaste woonachtig in Sint Annaparochie, die teruggestuurd zou worden naar Afghanistan. En Mauro, de Angolese jongen die niet bij zijn Nederlandse pleegouders mocht blijven. Al deze vreemdelingen werden na lang – soms zelfs levenslang – verblijf in Nederland, bedreigd met uitzetting. Lange procedures ten spijt was het ze niet gelukt een verblijfsvergunning te bemachtigen.

De dubbelzinnigheid van deze sentimenten in het migratiebeleid zijn vooral zichtbaar als het om de bestrijding van illegale migratie gaat. De Nederlandse overheid investeert flink in maatregelen om illegaal verblijf van vreemdelingen op eigen grondgebied terug te dringen. Een illegalenquotum voorde politie, illegalen langdurig opsluiten in vreemdelingenbewaring, de mogelijkheid van strafrechtelijke sancties – niets is genoeg. Tegelijkertijd wordt aan illegale migranten periodiek via pardonregelingen toch de kans op een verblijfsvergunning geboden. Recentelijk weer via het Kinderpardon, dat via de kinderen ook volwassen familieleden een verblijfsrecht gunt. Dat we inmiddels moeten vaststellen dat de controle van het Nederlands grondgebied niet waterdicht is, zal weinig opzien baren. Vreemder is het dat vreemdelingen die geheel tegen de wens van de overheid hier te lande verblijven, na verloop van tijd door diezelfde overheid een verblijfsrecht kunnen verkrijgen. Wat doet toch de tijd met deze langdurig verblijvende vreemdelingen?

In dit essay onderneem ik een zoektocht naar hoe het veelgebruikte, maar moeilijk te grijpenbegrip tijd onze omgang met de vreemdeling bepaalt.

De wortelingsparadox
In de afgelopen jaren is het populair geworden om de groeiende verbondenheid, die vreemdelingen na verloop van tijd met hun gastland kunnen voelen, aan te duiden met de term ‘worteling’. Zo werd enkele jaren terug door de parlementariërs Samsom en Voordewind een heuse ‘Wortelingswet’ ingediend, die vreemdelingen na vijf jaar zonder verblijfsrecht alsnog een verblijfsvergunning moest toestaan. Hoewel deze wet geen parlementaire meerderheid verkreeg – mede omdat de term worteling maar moeilijk juridisch te definiëren viel – wordt de term in publieke discussies over uitgeprocedeerde vreemdelingen veelvuldig gebruikt. In zulke discussies, denk aan Mauro en Sahar, heeft deze term een vanzelfsprekendheid die een eenduidige betekenis doet vermoeden. De vreemdeling is hier geworteld en verdient daarom een verblijfsrecht, zo luidt het argument. Toch is zo’n eenduidige betekenis van worteling er allerminst: het woord komt niet eens in Van Dale voor. Wel is daar het arboretische ‘wortelen’ te vinden, dat duidt op het wortelschieten van planten. En vermoedelijk gaat precies van die beeldspraak de kracht van deze term voor migranten uit. Na verloop van tijd wortelt een migrant in Nederland: zijn wortels reiken dieper, waardoor hij meer vertakt raakt met zijn omgeving, die van deze inmiddels bloeiende migrant op haar beurt de vruchten plukt.

Historisch gezien is het overigens opvallend dat de wortelingsmetafoor in dit geval insluitend werkt. De metafoor van wortels die in de bodem groeien doet toch denken aan het Blut und Boden-verhaal, waarmee juist iedere vorm van uitheemse inmenging moest worden uitgesloten. Deze terminologie werd onder meer door de Duitse historicus en filosoof Oswald Spengler gebruikt, maar is vooral door de nazi-ideologie besmet geraakt. Voor de nazi’s was het Duitse volk aan het Duitse land gebonden via bloedbanden. Alleen de ariërs hadden een mythische band met de Duitse grond en dezen moest daarom worden gezuiverd van inmenging van al het niet-Duitse. Het hedendaagse gebruik van de term ‘worteling’ heeft daarentegen juist een insluitend karakter: mensen die elders zijn geboren en waarmee we geen bloedverwantschap hebben, kunnen in de loop van de tijd toch hier wortelen. Deze worteling, zo lijkt het op het eerste gezicht, is afhankelijk van een tijdsverloop: de tijd maakt dat een vreemdeling zich steeds steviger bindt in of aan het land van aankomst.

Maar dat het zo simpel niet ligt, blijkt als we het begrip worteling nog eens nader bekijken. We gebruiken het doorgaans in een sociale context. Worteling gaat over mensen die banden met anderen en de samenleving zijn aangegaan, omdat ze de taal hebben geleerd en zich de omgangsvormen hebben aangemeten of omdat ze succesvol zijn op school, met sport of anderszins maatschappelijk slagen. Zo opgevat leidt worteling tot een paradox: zij die over de capaciteit beschikken om sociaalsuccesvol te zijn (en dus makkelijk wortelen), zullen doorgaans ook in een nieuw land makkelijk aarden. Een grote wortelingscapaciteit impliceert dan een even zo groot herwortelingsvermogen. Maar dat zou betekenen dat iemand die hier is geworteld, dat net zo makkelijk weer ergens anders kan doen. Waarom zou worteling dan een argument zijn om juist hier een verblijfsrecht te krijgen als de vreemdeling net zo goed ergens anders kan herwortelen?

Wortels van bomen of vergroeiing van grassen?
We zouden worteling wellicht, in plaats van als capaciteit, kunnen omschrijven als iets dat in de loop van de tijd wordt vergaard. Die omschrijving sluit aan bij het idee dat worteling tijd kost. De migrant is dan te vergelijken met een trein die zich op een spoorlijn richting sociale cohesie begeeft. Bij elk station dat hij passeert, wordt zijn worteling grondiger. Eerst een minimale taalbeheersing, dan sociale vaardigheden, kennis van de geschiedenis en cultuur, dan vrienden, werk, schoolgaande kinderen en zo verder.

Het probleem van deze omschrijving is dat moeilijk is vast te stellen wanneer zo’n denkbeeldig station daadwerkelijk is gepasseerd. Laten we kennis van de taal als voorbeeld nemen, taalbeheersing is immers een fundamentele voorwaarde voor samenleven. Het is moeilijk voorstelbaar dat we iemand geworteld noemen die de taal volstrekt niet beheerst. Het is tegelijkertijd buitengewoon lastig om aan te geven wanneer iemand de taal nu precies voldoende beheerst om te kunnen stellen dat hij is geworteld. Iedere gestelde taalnorm is discutabel, omdat deze te laag is ten opzichte van de gemiddelde Nederlander, of juist te hoog ten opzichte van diezelfde gemiddelde Nederlander die zijn moerstaal toch ook niet altijd vlekkeloos beheerst.

Bovendien is taal niet het eerste station dat moet zijn gepasseerd op weg naar volledige vergroeiing met de samenleving. Taal mag dan belangrijk zijn, het is niet noodzakelijk om van worteling te kunnen spreken. De zaak van de Turkse kleermaker Zekeriya Gümüş kan hier als voorbeeld dienen. Gümüş woonde en werkte al jaren in Amsterdam, hij was een sympathieke buur en zijn schoolgaande kinderen hadden in Amsterdam de basisschool volledig doorlopen. Alleen zijn beheersing van het Nederlands was niet best. Iedereen was het erover eens dat Gümüş voldoende geworteld was. Probleem was echter dat zijn geval (ruimschoots) buiten de strikte regels van de zogeheten Witte illegalenregeling viel. En dat had niets met taal of integratie te maken. Gümüs had simpelweg maar twee jaar en drie maanden wit werk verricht, terwijl zes jaar het miniem was om onder de regeling te vallen.

Een andere omschrijving dan die van vergaarde capaciteit zou die van een fijn vertakt wortelstelselkunnen zijn. Migranten wortelen niet zoals een boom dat doet – met één hoofdwortel (bijvoorbeeld taal) die zich splitst in andere wortels (school, werk, sport), maar zoals grassen dat doen – met een chaotisch, alle kanten uitwaaierend vertakkingsstelsel. Een graswortel begint ergens te groeien, vertakt verschillende kanten op en vertakt met andere wortels. Als delen afsterven, betekent dit niet dat het geheel sterft. Er is geen oorsprong waarop de andere wortels zijn terug te voeren, het geheel heeft geen ordelijk karakter en de groei kent geen waarschijnlijk verloop. Ook de vergroeiing van migranten met anderen en hun omgeving kan velerlei vormen aannemen. Het kan zijn dat de vreemdeling een goede buur is of een vriendelijke middenstander (de Turkse Gümüş), een uitmuntende scholiere (de Afghaanse Sahar of Servisch-Kosovaarse Taida Pasic) of een vriendelijke jongen met veel (voetbal)vrienden (de Angolese Mauro). Worteling heeft een ‘rizomatisch karakter’, zo zouden we in de woorden van Gilles Deleuze en Felix Guattari kunnen zeggen.

Maar ook deze omschrijving is niet zonder problemen: als we worteling opvatten als een verzameling van bepaalde verworvenheden (taal, vriendschap, werk, school) die zich op een chaotische manier bij iedereen verschillend manifesteren, dan valt dit begrip in algemene zin maar moeilijk te definiëren. Valt er ondanks al die individuele verschillen dan écht niets in algemene zin te zeggen over het wortelen van migranten door de tijd?

Het vermogen om verschillen te vergeten
Duidelijk is inmiddels wél dat de migrant zowel verandert als gelijk blijft door de tijd. Hij verandert zodat hij op een zeker moment is geworteld, terwijl er tegelijkertijd ook iets gelijk blijft, het gaat immers nog altijd om iemand die dezelfde naam draagt als waarmee hij aankwam. De term worteling geeft zelf blijk van deze dubbelzinnigheid: er is sprake van groei en verandering, maar die verandering betreft iets dat hetzelfde blijft.

In de filosofie is de verhouding tussen verandering en gelijkheid een veelbesproken onderwerp. In de Griekse oudheid sneed Heraclitus dit vraagstuk al aan met zijn beroemde uitspraak ‘In dezelfderivieren treden wij en treden wij niet, wij zijn en wij zijn niet’. Dat is precies de vraag naar verandering en gelijkheid: Waarom spreken we van dezelfde rivier als wat de rivier vormt nooit hetzelfde is? Friedrich Nietzsche meende dat het de taal is die de altijd stromende werkelijkheid tot stilstand brengt. Hij zag dat tot stilstand brengen als een overlevingsstrategie. Te midden van de kolkende, chaotische en veranderlijke werkelijkheid probeert de mens zich staande te houden door het aanbrengen van analytische onderscheidingen en het gelijkstellen van het niet-gelijke. Doen we dat niet, dan worden we gek.

Een mooi voorbeeld van wat er in zo’n nachtmerrie van voortdurende verandering kan gebeuren, biedt het verhaal ‘Funes de allesonthouder’ van Jorge Luis Borges. Na een val van een paard verliest deze Ireneo Funes het vermogen om te vergeten. Vanaf dat moment ziet en onthoudt de arme Funes de werkelijkheid tot in haar kleinste nerven. Ook zijn oudste en onbeduidendste herinneringen staan hem in volledige klaarheid voor de geest. Aanvankelijk neemt Funes het plan op om tot een taal te komen waarin werkelijk iedere singulariteit een eigen begrip toegekend krijgt. ‘Inderdaad herinnerde Funes zich niet alleen ieder blad aan iedere boom in ieder bos, maar alle keren dat hij het had waargenomen, of het zich had voorgesteld.’ Maar zelfs een taal die voor alle kleine aspecten van de werkelijkheid een apart woord zou hebben, zou geen recht doen aan de oneindige variëteit van de werkelijkheid, realiseert Funes zich. Zo’n taal zou weliswaar recht doen aan alle verschillen op een bepaald moment, maar niet aan de verandering die voortdurend optreedt. Niet alleen is het generieke ‘hond’ een armoedige uitdrukking voor al die honden van uiteenlopende vorm en grootte, belangrijker is dat de hond van twintig over drie, een andere is dan die van kwart over drie. In de tijd blijft niets, maar danook niets hetzelfde. Iedere algemene taal is zo onmogelijk. ‘[I]n de stampvolle wereld van Funes bestonden alleen maar details, die elkaar bijna verdrongen’. Als je maar goed kijkt, zie je alleen verschillen en is ieder begrip dus een eindeloze versimpeling van de werkelijkheid, zo luidt de filosofische portee van dit verhaal.

Mensen die als Funes alles onthouden worden gek. En ook deze arme ziel stierf al snel. Nee, denken is juist verschillen vergeten, zo eindigt Borges het verhaal dan ook, het is generaliseren en abstraheren. Het fixeren van de stromende werkelijkheid in begrippen is een noodzakelijke voorwaarde voor denken, ook al is dit fixeren per definitie problematisch. Zoals we zagen met de hond van Funes is dit al problematisch op één bepaald moment. Maar het wordt naarmate de tijd vordert en er verandering optreedt alleen maar moeizamer. Deze spanning tussen de fixerende en tot stilstand brengende taal en de voortdurend doorstromende werkelijkheid is ten diepste onoplosbaar. Het is wat in de filosofie de gespannen verhouding tussen zijn en worden wordt genoemd. Het is, zo verwoordt Ger Groot treffend, de tragiek van het denken dat ten enenmale onmachtig is de werkelijkheid in haarvloeiende, wordende karakter te vatten.

Dit fixeren van beweging moge dan een fundamentele en problematische eigenschap van het denken zijn, toch is het een eigenschap die in het dagelijks leven doorgaans tot weinig problemen leidt. Begrippen als boom, tafel of auto mogen dan wel geen recht doen aan de oneindige variëteit opeen bepaald moment, noch aan de voortdurende bewegende werkelijkheid waarin ze bestaan, ze functioneren in het dagelijks gebruik toch zonder al te veel problemen. Daarmee verdwijnt echter niet de ambivalentie. Die komt vrijwel nergens zo helder voor het voetlicht als bij de vraag naar tijd en menselijke identiteit. Het lijkt onmogelijk om zelfs maar tot een begin van een omvattende beschrijving van onze identiteit te komen, en toch beschrijven we onszelf in het dagelijkse leven voortdurend. Elk antwoord – ‘Ik ben promovendus, ik werk daar en daar en ben dat en dat van plan’ –doet onrecht aan de oneindige complexiteit van iemands identiteit. Echt last hebben we daar niet van. Pas als we uitgebreider stil staan bij wie we zijn – en ook dat doen we vaak, wat is fijner dan een gesprek over onszelf – wordt het probleem dat de taal fixeert, zichtbaar. Vooral wanneer iemand een ander op diens identiteit wenst vast te pinnen – Surinamers zijn lui, Marokkanen agressief, Belgendom, Nederlanders gierig –, merken we dat er veel op het spel staat.

De vraag naar worteling kan pas echt goed worden begrepen als deze wordt geplaatst binnen dit spectrum van onproblematische en problematische identiteiten. Worteling is dat wat van iemands identiteit beklijft, maar waarop hij of zij toch niet wordt vastgepind. Anders gezegd, dat wat onproblematisch is en waaraan de verandering niet gelijk opvalt. Niet omdat er goed beschouwd geenverschil is te zien – als je maar goed genoeg kijkt zie je net als Funes alleen maar verschillen. Sahar lijkt niet op Gümus en zelfs niet op Pasic, terwijl die laatste toch ook een slimme scholier is. Sahar lijkt na verloop van tijd zelfs niet meer precies op zichzelf. Een gewortelde identiteit bestaat dan ook niet zozeer als absolute eenheid. Worteling is niet de harde onveranderlijke kern van iemands identiteit. Ook een gewortelde identiteit is voortdurend aan verandering onderhevig. Als je goed kijkt zie je allerlei verschillen – met andere mensen, maar ook met een eerder zelf – maar het punt is nu juist dat je dat bij een geworteld iemand niet langer doet.

Vanzelfsprekend worden
Zo zijn we bij een cruciaal punt aangeland. Worteling als vanzelfsprekendheid, als situatie waarin de verschillen niet langer opvallen, omdat de aandacht niet is gericht op de verschillen of omdat deze zijn vergeten. Eigenlijk is dit precies het tegenovergestelde van wat Funes overkwam toen hij zijn hond probeerde te beschrijven. Waar voor Funes na verloop van tijd het woord ‘hond’ alleen maar problematischer werd om dat voortdurend veranderende te beschrijven, gebeurt bij worteling het tegenovergestelde. Na verloop van tijd wordt de identiteit van de wortelende vreemdeling niet problematischer, maar juist vanzelfsprekender. Worteling is zogezegd vanzelfsprekend worden.

Deze vanzelfsprekendheid laat zich in de aard der zaak niet definitief vastleggen, niet omvattend omschrijven. Vanzelfsprekend is immers dat wat goes without saying, het onproblematische, dat wat geen aandacht vergt en stilzwijgend wordt geaccepteerd. Het gaat om die delen van iemands identiteit die vaak terugkomen in verhalen, zonder dat daar de aandacht op wordt gevestigd, omdat ze onproblematisch zijn, of omdat ze gewoonweg niet opvallen. Het is echter geen vanzelfsprekend zijn, het gaat hier niet om een permanente toestand, met een zekere bestendigheid. Het is een voortdurend worden, een proces waarin geen vaste en veilige punten zijn aan te wijzen. Neem het voorbeeld van Nederlanders met een dubbele nationaliteit. Jarenlang is het volstrekt vanzelfsprekend geweest om hen als volwaardige Nederlanders te beschouwen. Er hoeft echter maar iets te gebeuren – een aanslag, een politieke omwenteling – of de vanzelfsprekendheid smelt als sneeuw voor de zon. Opeens moetenzij hun ‘dubbele loyaliteit’ verantwoorden.

Vanzelfsprekend is dat wat op de achtergrond blijft, zonder dat er verantwoording over hoeft te worden afgelegd. Vanzelfsprekend worden raakt aan wat Hartmut Rosa ‘resonantie’ noemt en wat voor hem het tegenovergestelde is van ‘vervreemding’. In een wereld van steeds grotere versnelling en haast kan de wereld ons steeds meer onbewogen laten, zo stelt Rosa. Juist dan is het noodzakelijk om tot een vorm van bezieling te komen, via muziek, de natuur of religie, anders dreigt de wereld te verstommen. Worteling is misschien wel zo’n vorm van bezieling, die vanzelf kan ontstaan als mensen met elkaar in contact komen. Na verloop van tijd resoneert de vreemdeling met zijn omgevingen met anderen. Hij gaat ritmisch meetrillen, zodat zijn ritme uiteindelijk niet meer is te onderscheiden van dat van anderen in zijn omgeving. Dat vindt niet plaats op de voorgrond en is nietprecies aan te wijzen, het is dezelfde vluchtige vanzelfsprekendheid.

Zo ontstaat er een steeds scherper beeld van de complexe verhouding tussen tijd, worteling en recht. Deze complexiteit wordt het best zichtbaar wanneer het wortelingsargument wordt ingezet in publieke discussies tegen de uitgeputte juridische regels. Gepoogd wordt dan de vanzelfsprekendheid te tonen, zonder dat deze precies kan worden aangewezen. Het mag dan zo zijn dat de vreemdeling juridisch geen toegang heeft verkregen tot de samenleving, zo luidt het argument, maar na verloop van tijd is zijn aanwezigheid vanzelfsprekend geworden. De aanvankelijk aanwezige verschillen zijn met de tijd verdwenen of vergeten, de vreemdeling is een van ons geworden, hij is hier thuis, hij is geworteld. Dat zijn precies de termen die worden gebruikt in het protest tegen het uitzetten van uitgeprocedeerde vreemdelingen als (de kinderen van) Gümüs, Taida Pasic, Sahar Hibrahimghel enMauro Manuel. De woede richt zich op de evidente onredelijkheid om deze gewortelde mensen uit te zetten. Het is de vanzelfsprekendheid van hun vergroeiing met mensen en de leefomgeving in Nederland die hen geworteld maakt, niet zozeer de specifieke vergroeiing zelf. Een vreemdeling kan immers nog zo vergroeid zijn, als hij zich heftig strafrechtelijk misdraagt zal hij alsnog worden uitgezet. Hij is op dat moment weliswaar vergroeid met Nederland, maar hij valt uit de toon, hij resoneert niet om met Rosa te spreken. Dit blijft uiteindelijk in extreme gevallen ook Nederlanders niet bespaard, zoals blijkt uit discussies over pedoseksuelen en politieke misdadigers.

Eb en vloed
De zoektocht naar worteling wijst ons zo op twee functies van tijd, die als eb en vloed naast elkaar bestaan. Aan de ene kant zorgt tijdsverloop voor veranderingen en daarmee het vergroten van verschillen. Daarvan getuigt de hond van de arme Funes. Als men maar goed kijkt, schiet iedere beschrijving van de werkelijkheid tekort, omdat de werkelijkheid voortdurend voortbeweegt. Aan de andere kant duidt juist worteling op een tegenovergestelde functie van tijd: het vergeten van verschillen na verloop van tijd. Worteling is een onvermijdelijke menselijke eigenschap, een sociaalproces, dat meer weg heeft van de verworteling van grassen dan van het wortelen van een boom. Na verloop van tijd worden mensen vanzelfsprekend, ze resoneren met anderen en hun omgeving. De op zich aanwezige verschillen staan niet langer op de voorgrond. Dat is geen noodzakelijk proces, niet iedereen raakt geworteld en zeker niet iedereen doet dat met dezelfde snelheid. Maar gelukkig zijn er ook maar weinig mensen zoals Funes, die volstrekt het vermogen ontberen om na verloop van tijdverschillen te vergeten.