De profanatie van de sacrale vluchteling als redding

Essay – Ophef – tekst in pdf
” ‘U zei dat 1 juli niet uw officiële verjaardag is. Heeft u twee verjaardagen?’ ‘Ja, ik heb twee geboortedata, de echte die ik niet ken en deze op 1 juli die de regering mij gegeven heeft,’ zei ik.’ Aan het woord is Semmier Kariem, hij is in gesprek met een ambtenaar van de Immigratie en Naturalisatiedienst in zijn asielprocedure. De ambtenaar wil maar niet geloven dat Semmier niet weet wanneer hij is geboren. Semmier vertelt dat hij op een dag met zijn familie naar een kantoortje ging waar hij zijn officiële geboortedag kreeg. ” ‘Hoe oud was u toen?’ ‘Ik weet het niet. In die tijd wist ik niet dat u het mij zou gaan vragen en dat mijn leeftijd ooit zo belangrijk zou zijn,’ zei ik. ‘Ik wil graag dat u mijn vraag serieus neemt,’ zei ze streng. Ik wilde haar vertellen dat ik haar vraag heus serieus genomen had, maar durfde het niet. ‘En nu: hoe oud was u toen u die dag naar dat gebouw ging?’ ‘Ik denk vijf jaar’, zei ik. ‘Ik wil graag een precies antwoord, meneer Kariem.’ Ik dacht dat dit gesprek nooit zou eindigen en dat ik op elk moment van vermoeidheid van mijn stoel kon vallen.
‘Ik weet het zeker, mevrouw, dat ik die dag vijf jaar was.’ ”

Hoewel dit interview nooit heeft plaatsgevonden, had dat wel gekund. ‘Dit boek is fictie voor iemand die het niet kan geloven, maar non-fictie voor iemand die ervoor open staat’, zegt Rodaan Al Galidi aan het begin van zijn boek ‘Hoe ik talent voor het leven kreeg’. In dat boek tekent hij het verhaal op van Semmier Kariem’s jarenlange asielprocedure in Nederland. Het verhaal vangt aan met bovenstaande miscommunicatie tussen de asielzoeker en de ambtenaar in de eerste gehoorfase van de asielprocedure. Al Galidi laat graag in het midden of het hier nu non-fictie of fictie betreft, en ook of zijn eigen verhaal als asielzoeker in Nederland overeenstemt met het verhaal van Semmier. Al Galidi speelt een spel met de waarheid, of eigenlijk met het soort waarheid dat in de asielprocedure zo centraal staat. Het gaat hier om de vraag hoe deze Kariem zijn ware leeftijd moet staven. Of hoe, met andere woorden, Kariem de waarheid kan spreken.

Het is met deze spraakverwarring dat we ons in medias res bevinden. Of het nu letterlijk zo gezegd is of niet, dit soort miscommunicatie is kenmerkend voor iedere asielprocedure. Daarin wordt immers geprobeerd de vluchteling te objectiveren, teneinde enige migratiecontrole te kunnen uitoefenen op zijn toelating. Zijn vluchtrelaas verwordt zo tot een asieldossier, waarin bij voorkeur met objectieve bronnen gestaafd moet worden wie de persoon is, waar hij vandaan komt en welk gevaar hij precies zal lopen als hij terugkeert. Maar waarom eigenlijk? Wat is de reden dat we niet gewoonweg het verhaal van de vreemdeling aannemen voor wat het is?

Het antwoord is simpel: omdat we controle willen over wie er op ons grondgebied verblijft. De mens die voor de ambtenaar zit moet worden teruggebracht tot de antwoorden op een vragenlijst die hem doen passen binnen de juridische hokjes van de vluchtelingenbescherming. Zulke objectivering gaat noodzakelijkerwijs gepaard met categorisering, hokjesgeest en simplificatie van het eindeloos complexe levensverhaal van deze mens die beweert vluchteling te zijn. Het is in deze categorisering dat de staat controle uitoefent over de toelating van migranten tot het grondgebied. En enige controle is ook noodzakelijk, juist als men een specifieke vorm van bescherming wil bieden.

Want ga maar na, als de staat zonder enige vraag te stellen gewoonweg iedereen die ‘asiel’ roept een verblijfsrecht zou geven dan zou het migratiebeleid wel kunnen worden afgeschaft. En het gevolg daarvan zou dan paradoxaal genoeg zijn, dat ook de vluchtelingenbescherming geen betekenis meer zou hebben. Als iedereen immers gewoonweg op gelijke voet naar binnen kan, is er voor een speciale behandeling van vluchtelingen geen mogelijkheid meer. Het is dus in het zorgvuldige beheer van de categorisering van de vluchteling dat de vluchtelingenbescherming zijn statelijke vorm krijgt. En daar toont zich precies de centrale ambiguïteit van deze vluchtelingenbescherming die daaruit bestaat dat het ‘zuivere levensverhaal’ van de vluchteling, zijn sacrale identiteit zo u wilt, noodzakelijkerwijs moet worden besmet door een proces van profanatie teneinde hem te beschermen. Dit terwijl het juist zijn zuivere identiteit is waaraan hij zijn beschermingswaardigheid ontleent. Tenminste, dat is wat ik hier in dit artikel wil beweren: de profanatie van de sacrale vluchteling is diens redding. Dat betekent dat een rechtvaardige asielprocedure altijd een zekere bezoedeling van de vluchteling met zich mee draagt.

I. De status aparte van de vluchteling
Iemand is vluchteling omdat hij aan de definitie van een vluchteling voldoet, niet omdat hij door een staat als vluchteling wordt erkend. Dit wat mysterieuze uitgangspunt ligt ten grondslag aan internationale vluchtelingenbescherming en wordt wel de ‘declaratoire status’ van de vluchteling genoemd. De gedachte is dat de vluchteling in een asielprocedure niet tot vluchteling wordt verklaard, maar daarin wordt herkend als de vluchteling die hij al was. Deze op het oog semantische kwestie heeft grote gevolgen voor de vluchteling. Het betekent namelijk dat iemand die mogelijk vluchteling is al bescherming verdient. Deze potentiële vluchteling heeft als asielzoeker recht op een effectieve asielprocedure waarin zijn asielclaim wordt beoordeeld. Bovendien mag hij gedurende die procedure niet worden uitgezet naar het land van zijn herkomst. Als immers later zou blijken dat we al de ganse tijd met een vluchteling van doen hadden, dan zou zijn terugzending betekenen dat hij aan precies die gevaren wordt blootgesteld waar hij nu juist met recht bescherming voor zoekt.

Daarmee neemt de vluchteling een bijzonder plaats in het migratierecht in. Er is in principe geen ruimte voor staten om te besluiten een vluchteling die zich binnen zijn jurisdictie bevindt bescherming te weigeren. Er zijn wel een paar uitzonderingen die stellen dat een andere staat verantwoordelijk is voor de bescherming van de vluchteling, maar staten kunnen niet bepalen dat ze alleen bepaalde vluchtelingen toelaten of slechts vluchtelingen uit bepaalde landen. Bij de meeste andere vormen van migratie is dit anders. Staten hebben bijvoorbeeld ruime mogelijkheden om het soort arbeidsmigratie te reguleren, om zo iets als een middelen- of integratievereiste tegen te werpen aan gezinsmigranten, of om bijvoorbeeld te eisen dat iemand eerst een visum moet aanvragen in het land van herkomst.

De vluchteling onttrekt zich zo aan de statelijke macht om te bepalen wie onder welke voorwaarden op het grondgebied mag verblijven. Zodra de potentiële vluchteling voet aan de grond heeft gezet, en ‘asiel’ heeft geroepen, moet hij worden beschermd.

II. Het sacrale karakter van de vluchteling
De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben begint zijn essay ‘Lofzang op de profanatie’ als volgt:

‘Romeinse rechtsgeleerden wisten heel goed wat ‘profaneren’ betekent. Sacraal of religieus waren voorwerpen die op enigerlei wijze aan de goden toebehoorden. Als zodanig waren ze onttrokken aan het vrije gebruik en de commercie van mensen, (…). Onder heiligschennis werden alle handelingen verstaan die deze speciale onbruikbaarheid schonden of overtraden. Dit aspect van onbruikbaarheid maakte dat sacrale voorwerpen voorbehouden waren aan de hemelse goden (dan werden ze waarlijk ‘sacraal’ genoemd) of aan onderaardse goden (in dit geval werden ze simpelweg ‘religieus’ genoemd). En als wijden of sacreren (sacrare) de term was die de gang van voorwerpen uit de sfeer van het menselijke recht aanduidde, dan betekende profaneren omgekeerd het teruggeven van voorwerpen aan het vrije gebruik van de mens. ‘Profaan’, schreef aldus de grote jurist Trebatius, ‘noemt men in eigenlijke zin wat, ooit sacraal of religieus, is teruggeven aan het gebruik en het bezit van de mensen’’ (p.71, in de vertaling van Ype de Boer)

Sacraal is datgene dat onttrokken is aan het vrije gebruik van mensen, zo kan ik hier losjes van Agamben overnemen. Dat moet ook, want zou ik hier overgaan tot een strikte Agamben interpretatie dan zou ik vermoedelijk in de problemen geraken, al was het alleen vanwege de omvang van dit artikel. Daarom houd ik het hier bij een losse interpretatie en brand ik me niet aan een strenge exegese van het werk van Agamben als zodanig (zie voor een recente, kraakheldere lezing van Agamben ‘Eeuwig leven. Agamben & de theologie’ van Rinse Reeling Brouwer). Mij is het erom te doen een dubbelzinnigheid in onze asielprocedure te tonen, en niet om een volwaardige interpretatie van Agamben te geven.

En daarvoor biedt Agamben’s denken verschillende aanknopingspunten. Volgens Agamben heeft het sacrale vocabulaire, of dat nu in het woord sacer is of in het woord profanare, een tegenstrijdige betekenis. Zo draagt profanare de betekenis van zowel ‘profaan maken’ als ‘offeren’. Dezelfde ambiguïteit is terug te vinden in het woord sacer dat net zozeer ‘verheven, gewijd aan de goden’ betekent als ‘vervloekt, uitgesloten van de commune’. Deze dubbelzinnigheid is zelfs elementair voor zowel de profane als de sacrale bewerking, zo stelt Agamben: ‘Voor zover beide bewerkingen betrekking hebben op hetzelfde object dat moet overgaan van het profane naar het sacrale of van het sacrale naar het profane, moeten ze iedere keer rekening houden met een profaan residu in elk gesacreerd voorwerp en een sacraal restant in elk geprofaneerd object’ (p. 76). Een voorbeeld hiervan is het dierlijke offer, delen daarvan – bijvoorbeeld de lever en het hart – behoren de goden toe, terwijl wat overblijft door de mensen kan worden geconsumeerd. Het is de enkele aanraking door diegenen die deelnemen aan het ritueel die de profanatie voltrekt, waarna het mogelijk is om het vlees simpelweg op te eten.

Cruciaal is nu dat de profanatie een neutralisering impliceert van wat het profaneert. Eenmaal geprofaneerd, verliest dat wat gescheiden was zijn aura en wordt het teruggegeven aan het normale gebruik. Maar daarvoor moet het wel eerst afstand doen van het sacrale restant.

III. De profanatie van de vluchteling
Iemand is vluchteling als hij een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of zijn politieke overtuiging, en hij zich buiten het land van zijn herkomst bevindt en de bescherming van dit land niet kan inroepen vanwege deze vrees. Uit deze definitie van de vluchteling blijkt dat het moment waarop iemand onder de definitie valt, het moment is dat hij het land van zijn herkomst verlaat. Mits hij ook aan de verdere vereisten voldoet, zal hij vanaf dat moment vluchteling zijn. Maar hij heeft dan nog geen bescherming.

Vanaf dat moment is de vluchteling van huis en haard verstoten en zwerft hij rond op zoek naar een plek waar hij zijn leven weer opnieuw kan beginnen. Het is deze mens die we misschien in navolging van Agamben als homo sacer kunnen typeren, verheven en toebehorend aan de goden, en tegelijkertijd vervloekt en uitgestoten van iedere commune. En inderdaad, Agamben’s analyse is zeer geschikt om de duistere kanten van die situatie van de rondzwervende vluchteling over het voetlicht te brengen. Want de vluchtelingen die met bootjes proberen de Middellandse zee over te steken, of zij die vastzitten in kampen in Kenya, Ethiopië, Griekenland en Turkije; zij lijken inderdaad eerst en vooral te leven in een permanente uitzonderingstoestand, waar zij weinig tot niets kunnen ontlenen aan het recht. Dat is echter anders voor diegenen die erin geslaagd zijn om door te dringen tot een functionerende asielprocedure in (West-) Europa. Het is zo’n asielprocedure die wel degelijk een uitweg biedt naar een nieuw leven in een gemeenschap onder de mensen.

Het is dan ook in zo’n asielprocedure dat de vluchteling wordt geprofaneerd, dat hij door aanraking wordt teruggegeven aan het normale verkeer tussen de mensen. De profanatie bestaat daaruit dat zijn vluchtverhaal wordt gereduceerd tot het begrippenkader van de staat. Dat betekent dat het wordt vertaald naar vastomlijnde vragenlijsten, bewijsmiddelen, documenten en als samenhangend beschouwde verklaringen. Zo’n statelijk begrippenkader laat per definitie weinig heel van de alteriteit van de Ander, van het singuliere, beleefde levensverhaal van de vluchteling. Het verhaal van Semmier Kariem is daar een voorbeeld van. Toch is het onvermijdelijk: het idee van controle en toepassing van de regels vereist ook controle over de feiten, dat wil zeggen controle over de voorwaarden waaronder bepaalde stellingen voor waar worden aangenomen.

Een goed voorbeeld van deze spanning is de vervolging van bekeerde christenen, die mits ze aannemelijk kunnen maken dat ze bekeerd zijn en als gevolg daarvan gevaar lopen, bescherming als vluchteling verdienen. Nu is het in een aantal landen niet zo ingewikkeld om aan te tonen dat een in het openbaar belijdend christen gevaar loopt. Moeilijker is het vaak om aannemelijk te maken dat iemand is bekeerd, want hoe kan iemand zijn geloofsovertuiging bewijzen? Tegelijkertijd is het risico voor de staat evident. Als iedereen simpelweg door te stellen dat hij is bekeerd tot een bedreigde religie een asielvergunning kan bemachtigen, dan is dit een wel erg aanlokkelijke manier om migratieregels te omzeilen. Het gevolg is dan dat iemand een zeer gedetailleerd verhaal moet vertellen over zijn bekering, waarin hij moet laten zien dat de bekering een tijdrovend en emotioneel proces is geweest. Bovendien moet de vreemdeling vaak details en feiten kunnen overleggen over de inhoud van de religie, zoals bijvoorbeeld wat de feestdagen zijn, wat hun betekenis is en hoe laat de wekelijkse viering begint. Het moge duidelijk zijn dat met zulke vragen de persoonlijke beleving van de bekering in vaak wel erg nauwe hokjes wordt geperst, en het is dan ook goed mogelijk dat daarmee slechts bepaalde vormen van bekering worden gehonoreerd.

Daarmee verliest de vluchteling zijn sacrale karakter, zijn ‘echte’ levensverhaal wordt als een sacraal residu geofferd aan de goden. Maar het is tegelijkertijd door de aanraking door de handen van de staat dat diegene die de schifting overleefd, door de staat beschermd. Het is deze profanatie die de erkende vluchteling de kans biedt om een nieuw leven te beginnen.

IV. De profanatie van de waarheid
Het spel bevrijdt de mensheid, zo stelt Agamben, en onttrekt iets aan de sacrale sfeer zonder deze sfeer te vernietigen. Als een kind speelt met een stuk rommel, transformeert hij wat toebehoort aan de economische sfeer, of aan die van de oorlog, van het recht of al die andere activiteiten die we gewoon zijn serieus te nemen. Dan wordt een auto, een vuurwapen of een juridisch contract plots een stuk speelgoed. In het spel verdwijnt de oude betekenis, zonder dat deze wordt vernietigd of vergeten. In deze zin kunnen we ook de houding van Semmier Kariem opvatten in het verhaal over zijn asielprocedure. Hoezeer de vragen over zijn leeftijd ook bevreemdend voor hem zijn, hij speelt het spel uiteindelijk mee. Daarmee schikt hij zich naar de voorwaarden waar hij niet onderuit kan, maar tegelijkertijd zet hij met zijn pragmatische houding precies datgene op het spel waar het in de procedure nu juist om te doen is: dé waarheid. Juist doordat de asielprocedure slechts één bepaalde vorm van waarheid toelaat, zet het dé waarheid op het spel. Het is een beetje zoals het in een ruzie heel erg onbevredigend kan zijn als een van de gesprekspartners de ander opeens heel ostentatief gelijk geeft om van het dispuut af te zijn. Dan is het juist in het halen van het gelijk, dat de ander het gevoel kan krijgen dat hij heeft verloren. Zoals het verhaal van Rodaan Al Galidi laat zien hoe onze houding ten opzichte van asielzoekers in veel opzichte is doorgeslagen, juist door te laten zien hoe de hoofdpersoon alles heeft gedaan om zich aan onze waarheid te conformeren.

Want dat beeld kan zich na het lezen van het verhaal van Semmier Kariem opdringen, dat het niet zozeer de vluchteling is die de waarheid geweld aandoet, maar dat het de asielprocedure is die de waarheid in de verdrukking brengt. Want zodra de macht van de staat om de voorwaarden te dicteren waaronder iemand als vluchteling wordt ‘herkend’ in de procedure te groot wordt, dan verliest de vluchteling zijn sacrale karakter en is hij niet meer te onderscheiden van gewone migranten. Een asielprocedure waarin geen ruimte meer is voor het ‘sacrale residu’, voor dat deel van iemands vlucht- en levensverhaal dat zich onttrekt aan de categoriserende vingers van het controlemechanisme, dat is geen asielprocedure meer. In profanatie schuilt zo bezien ook een duidelijk gevaar, het gevaar van ontheiliging is immers dat het kan omslaan in heiligschennis. Een asielprocedure moet zich blijven begeven op de drempel van het sacrale en het profane, er moet een sacraal residu overblijven dat verwijst naar de vluchteling. Anders rest er slechts profane machtsuitoefening.